LANGDONK (Roosendaal)
Het oude Langdonk van vóór 1972

BOEREN OP LANGDONK door C.C.A. (Cees) Elsten

«home


Boeren op Langdonk

Op 13 februari 1782 ging Servatius van Osta naar notaris Jan Fercken in Roosendaal om zijn testament te laten maken. Hij was bijna zeventig jaar, hij was twee keer getrouwd geweest en hij had vijf kinderen gehad. Maar toen hij naar de notaris ging, waren er nog maar drie in leven en ook zijn tweede echtgenote was al weer zeventien jaar geleden gestorven. Hij woonde nu in bij zijn dochter Johanna, die 42 jaar was en ook al weer veertien jaar getrouwd. Ze had met haar man Marijn Broos een gezin met zeven jonge kinderen en er zou nog een achtste geboren worden. Ze woonden allemaal op Langdonk op de hoek van de Turfvaart en de straat, aan de noordkant. Er woonde op Langdonk ook nog familie van hem, het gezin van een zuster van zijn vrouw, die zelf ook al lang dood was. Omdat Servatius flink wat grond had, die afkomstig was van de familie van zijn eerste vrouw, vond hij het nodig om voor zijn drie nog in leven zijnde kinderen in zijn testament alles goed te regelen.

De notaris gebruikte in het testament van 13 februari 1782 zijn doopnaam Servatius, de akte is ondertekend met de naam Servaes maar hij werd zonder twijfel aangesproken als Faas. Zijn voorouders krijgen in de doopboeken allemaal de toevoeging Faassen mee, ook wel Vaessen of Faesen, meestal als patroniem, samen met de achternaam Van Osta, maar in de oudere generaties zullen er ook familieleden geweest zijn die alleen de naam Faassen of varianten daarvan meekregen. De voornaam Servatius was in de familie gekomen door een van de voorouders, Geertruyd Servaes Stoffelen, die op 28 januari 1640 in Essen getrouwd was met Adrianus Gomarus Lenaertden van Osta. Vanaf die datum bleef de naam Servaas, Faas, Servé tot op de dag van vandaag in de familie Van Osta-Broos voorkomen.

Faas van Osta is gedoopt in de St Jan in Roosendaal op 7 oktober 1712. Zijn vader was Christophorus Fasen van Osta en zijn moeder Machtildis Cornelissen Domburgh. Via de doopregisters zijn verre voorouders tot in de zestiende eeuw gemakkelijk te traceren. Waar deze mensen precies woonden is mij niet bekend, maar het zal, ruim geformuleerd, zeker aan de zuidkant van Roosendaal geweest zijn: zijn voorouders zijn gedoopt in Essen en een enkele keer wordt ook over Borteldonk gesproken. Ze woonden zeker ook op Langdonk, maar waar precies is voorlopig nog onduidelijk.

De familie Adden

Op 10 mei 1739 was Faas van Osta getrouwd met Adriana Maria Adden, die geboren was op 26 maart 1713. De achternaam Adden komt in Roosendaal niet veel voor. Een enkele maal wordt Adriana ook Arden genoemd en dan is de stap naar Aerden en varianten niet groot. Ze was de dochter van Antonius Machielsen Adden en Paschasia Cornelisse Mangelaars die op 18 februari 1703 in Roosendaal getrouwd zijn. Ook van Adriana zijn gemakkelijk via de doopregisters veel voorouders te vinden, maar hier lijken de sporen meer in de richting van Wouw te wijzen.

Faas van Osta en Adriana Adden woonden zeker op Langdonk, maar waar ze precies gingen wonen toen ze getrouwd zijn is mij nog niet duidelijk. Op Langdonk woonde in die tijd ook Jacobus van He(ij)st, die op 23 januari 1735 getrouwd was met Cornelia Adden (geb. 24 juli 1711), de zuster van Adriana. Die hadden twee kinderen, Stephanus (30 nov 1735) en Paschasia (13 aug 1737). Cornelia Adden stierf al op 8 augustus 1739, waarna Jacobus van Heijst op 3 mei 1741 trouwde met Anna Uytdewiligen. Hij bleef wel op Langdonk wonen en hij kreeg nog meer kinderen. Tenslotte woonde (of ze had er grond) in dezelfde tijd op Langdonk ook nog Barbara Adden (geb. 8 dec 1719) die op 5 aug 1742 getrouwd was met Adrianus Vos. Deze Barbara was een nicht van Adriana en Cornelia. Zij was namelijk de dochter van Adrianus Michielsen Adden en haar moeder heette ook (Adriana) Mangeleers. Adrianus en Antonius Adden waren dus waarschijnlijk met twee zussen getrouwd. Ze woonden dicht bij elkaar en de familiebanden zullen dus intensief geweest zijn. Barbara Adden en Adrianus Vos kregen ook kinderen: Adriana werd geboren op 16 mei 1743 en Anna Maria op 24 februari 1745. Ze hadden nog meer kinderen: de laatste zoon (Adrianus) werd geboren op 7 maart 1751. Kort daarna, op 3 juni 1751, is Barbara overleden. Kennelijk werd een vroege dood verwacht want op 29 mei van 1751 was Barbara met haar man Adrianus Vos naar Notaris Bosschart gegaan om haar testament te laten maken. Adrianus Vos is op 16 mei 1756 hertrouwd met Dingena Vadden in Wouw. Of zij op Langdonk bleven wonen is niet duidelijk, maar voor de geschiedenis van het grondbezit op Langdonk waren vooral de twee zussen Adriana en Anna Maria Vos van belang, want uit het testament van 1782 blijkt dat Servaas van Osta de boerderij die hij toen bewoonde, samen met het gezin van zijn dochter, had overgenomen van Adriana en Anna Maria Vos. Nog later blijkt dat het hier gaat om de boerderij die in de twintigste eeuw op Langdonk het huisnummer 1 had.

Boerderij Langdonksestraat 1
Luchtfoto van boerderij Langdonksestraat 1 (fotocollectie: D. Broos-Potters)

Uit het voorafgaande is wel duidelijk geworden dat de familie Adden zo in het midden van de achttiende eeuw op Langdonk veel grond had. Omdat het vooral de vrouwen waren die in de vererving een rol speelden, is de achternaam Adden in de tweede helft van die eeuw op Langdonk al vrijwel verdwenen. Omdat al deze Addens bovendien jong gestorven zijn en gezinnen met jonge kinderen achter lieten, is de vererving via bijvoorbeeld voogdijregelingen veelal ingewikkeld geweest. Pas kort na 1800 wordt veel duidelijker om welk grondbezit en om welke boerderijen het precies ging.

Uit latere stukken blijkt dat de grond die in handen was van de nakomelingen van Adriana Adden (en Servaas van Osta) in het algemeen aan de oostkant van de turfvaart lag, de grond die in handen was van de nakomelingen van Jacobus van Heijst en Cornelia Adden zal mogelijk meer aan de westkant van de vaart gelegen hebben. Gedacht kan worden aan de boerderij van (in de twintigste eeuw) Romme en mogelijk andere boerderijen op Borteldonk of aan de Nispenseweg.

Anthony Anthonissen Adden

Een mooi voorbeeld van enerzijds de gecompliceerdheid van de familierelaties en anderzijds van de manier waarop het grondbezit in de achttiende eeuw bij elkaar gehouden werd, levert het testament van Anthony Anthonissen Adden. Anthony was een ongetrouwde broer van Adriana en Cornelia Adden. Hij woonde waarschijnlijk bij Adriana en Servaas van Osta in, want hij bezat wel grond maar geen woning. Het testament is bovendien een mooi voorbeeld van het fraaie maar verhullende taalgebruik van notaris Jacob van Sinnen (7 april 1754). Het begint als volgt:
 In den name onzes Heeren… compareerde voor mij Jacob van Sinnen, notaris, binnen de vrijheid Rosendaal residerende, ten presentie en overstaan van de nagenoemde getuigen, Anthony Anthonissen Adden, meerderjarig jongman, woonagtigh alhier, mij notaris en getuigen bekent, sieckelijck na den lichame, doch niet te min sijn verstant en uytspraeke hebbende en gebruikende, zoals op het passeren dezes quam te blijcken, denwelcke in aenmerkinge van de broosheid en verganckelijkheijd van ’s menschen leven, ja hoe schielijck en onverwagt hetselve dickwils wordt afgesneden, egter niet willende uit dese werelt scheijden, sonder alvorens te disponeren en te bevelen van sijne tijdelijcke na te latene middelen, verklaerende hetselve te doen bij en mits deses in voege en maniere als volgt.

Anthony laat in dit testament zijn bezittingen na aan zijn zuster Adriana (of haar kind), aan de kinderen van zijn overleden zuster Cornelia en aan het kind van zijn overleden broer Pieter. Zuster Adriana erft grond die op Langdonk lag, de kinderen van zuster Cornelia erven ook wat grond o.a. op de Kortendijk en het kind van broer Pieter erft ook nog grond o.a. op Vinkenbroek. Buiten de gewone testamentaire bepalingen als wie er moet zorgen voor de begrafenis, wordt ook nog nadrukkelijk bepaald dat het kind van zijn broer Pieter ‘twee tinnen schotelen’ moet krijgen. Adriana en Cornelia erfden overigens ook de inboedel: linnen en wollen en andere roerlijke goederen, goud en zilver, gemunt en ongemunt, actiën en credieten. Servaas van Osta en Jacobus van Heijst krijgen een belangrijke rol bij de uitvoering van het testament, als voogd voor de minderjarigen die erin genoemd werden.

Maar uit het hele testament blijkt ook dat op 7 april 1754 van de erflater Anthony alleen zuster Adriana nog in leven was. Adriana had drie kinderen gehad: daarvan was er nog één in leven (Johanna, ze was veertien jaar). Verder leefden er nog twee kinderen van zuster Cornelia en één van broer Pieter. De erflater zelf had zijn dood kennelijk voelen aankomen: hij overleed nog in hetzelfde jaar. Zijn zuster Adriana stierf op 21 april 1756.

Van Van Osta naar Broos

Dus in dat jaar was Servatius van Osta weduwnaar geworden. Financieel had hij waarschijnlijk goed geboerd, maar in zijn gezin had hij enorm veel tegenslag gehad. Op 14 mei 1758 is hij hertrouwd met Soetjen Gommers. In de stukken wordt zij ook Soa of Sura genoemd. Ze was geboren op 23 oktober 1727. Ze kregen twee kinderen: Adriaan werd geboren op 13 februari 1759 en Gerardina op 5 april 1762. Maar de voorspoed in het gezin was weer van korte duur, want op 27 mei 1765 overleed Soetjen Gommers. Intussen was dochter Johanna wel volwassen geworden en zij zal zeker als ‘de boerin’ op de boerderij, waar ze al lang woonden, zijn gaan optreden. Ze zal zeker, gezien alles wat er de voorbije jaren gebeurd was, als een rijke erfdochter beschouwd zijn. Maar meer nog blijkt dat voor ons uit wat er de volgende jaren gebeurd is. Toen ze 28 jaar was trouwde ze in Roosendaal met Marijn Broos, op 1 mei 1768.

Marijn Broos was geboren op 29 april 1737 als zoon van Adrianus Janssen Broos (geboren te Essen op 8 januari 1699) en Cornelia Matthijsse Mertens (geboren te Roosendaal op 28 mei 1704). Cornelia Mertens was al eerder getrouwd geweest ( op 3 november 1726) met Jacob Andries de Wael die ook uit Essen kwam (geboren 11 maart 1701). Maar haar eerste echtgenoot was al in 1729 overleden. Ook de tweede echtgenoot van Cornelia Mertens is niet oud geworden. Adrianus Broos, met wie ze op 3 augustus 1732 was getrouwd, overleed op 8 oktober 1737, 38 jaar oud dus. Cornelia Mertens huwde daarna nog een derde keer: met Martien Jongenelen uit Zegge (geboren op 7 november 1713 en  begraven in Roosendaal op 18 januari 1764). Cornelia Mertens overleed te Roosendaal op 18 september 1779.

Waar Cornelia Mertens woonde en waar Marijn Broos zijn jeugd heeft doorgebracht is mij niet bekend. Evenmin is het bekend of Marijn van zijn ouders grond geërfd heeft die later in de nalatenschap van Johanna van Osta en Marijn Broos een rol heeft gespeeld.

De naam Broos is dus in elk geval vanaf 1768 op Langdonk aanwezig. Eerst op één boerderij, een generatie verder op drie boerderijen. De naam is zeker afgeleid van de heiligennaam Ambrosius. Na 1768 is er eenduidigheid in de schrijfwijze, maar voor die tijd komen varianten voor als Brosius, Brosis, Brosens, Brosus, Broses. De naam komt tamelijk veel voor. Wie op internet de normale zoekprocedures gebruikt, belandt tamelijk snel bij kwartierstaten over de naam Broos, bijvoorbeeld in België en Midden-Brabant. Om welke reden de Heilige Ambrosius populair als naamgever is geworden, is mij niet bekend. Er is wel beweerd dat Ambrosius de patroonheilige van de bijenhouders was. Misschien ligt hier een verband.

In het gezin van Marinus Broos en Johanna van Osta werden tussen 1769 en 1784 acht kinderen geboren. Je zou hier kunnen zeggen dat alles ‘klassiek’ verliep. Marinus en Johanna waren in mei 1768 getrouwd. Een jaar later, opnieuw in mei, werd het eerste kind geboren, een jongen, die genoemd werd naar de overleden grootvader van vaderskant: Adrianus. Als peter trad op Servatius van Osta, als meter Cornelia Mertens; gewoon opa en oma dus. Bij drie van de later geboren kinderen komt bij peter en meter ook de naam Jongenelen voor. De familie dus van de derde man van Cornelia Mertens. Kennelijk was de familieband daarvoor sterk genoeg. Hetzelfde geldt voor de naam Gommers, van de tweede vrouw van Servatius van Osta. Helaas was het voor die tijd ook ‘gewoon’ dat van de acht kinderen die in dit gezin geboren werden, er maar vier volwassen werden: toen Servatius en Johanna hun bezittingen gingen verdelen, leefden er nog drie zonen en een dochter. Maar dat zou nog een hele tijd duren.

Het testament van Servatius van Osta

Zo was dus de familie- en gezinssituatie waarin Servatius van Osta leefde, toen hij op 13 februari 1782 naar notaris Fercken ging voor zijn testament. Hij woonde in bij zijn dochter Johanna, die 42 jaar was, getrouwd  met Marijn Broos, die samen (mogelijk) zeven kinderen hadden, waarvan de oudste dertien jaar was en de jongste twee jaar. Verder woonden nog bij hen in (waarschijnlijk) de twee kinderen, Adrianus en Gerardina, uit zijn tweede huwelijk (met Soetje Gommers) die 20 en 23 jaar waren.

Het testament ademt in de aanhef nog de sfeer van vóór de Franse Revolutie:
Compareerde voor mij Jan Fercken, openbaar notaris bij de edelen moogenden Souverijnen Raade en Leenhoven van Brabant en Landen van Overmase in
’s- Gravenhage gecreërt en geadmitteerd en nogh geadmitteerd bij haar Edele mogende d’Heeren President, Raden en Reekenmeesters van sijn doorluchtigste Hoogheid den Heere Prince van Orange en Nassau etc. etc. etc. binnen de Vrijheid Roosendael residerende in presentie van de getuijgen nagenoemt, Servaas van Osta, bouwman, woonende op Langdonk onder dese vrijheid Roosendael, mij notaris bekend…

Het testament zelf houdt in dat de drie kinderen van Servatius alle drie éénderde part erven, maar met dien verstande dat eerst de hele boedel onverdeeld moet blijven totdat ook het jongste kind vijfentwintig jaar is. Dus nog vijf jaar. Daarna zou Johanna het recht krijgen de hele boerderij (grond en gebouwen) over te nemen en bij elkaar te houden, voor een bedrag dat door drie taxateurs, voor elk kind één, zou worden vastgesteld. Daarbij wordt dan nadrukkelijk vermeld dat het hierbij gaat om de boerderij die Servatius zelf heeft overgenomen van Adriana en Maria Vos. De strekking van het testament is daarmee wel duidelijk. Servatius beseft dat de grond die hij bezit, in de familie is gekomen via de moeder van zijn dochter Johanna en hij vindt dat de nakomelingen van die tak recht hebben op hoeve en grond. Zijn andere twee kinderen worden inzoverre eerlijk behandeld dat zij schadeloos worden gesteld met elk éénderde part in geld. Johanna erft bovendien alle roerende goederen. Zolang er niet tot daadwerkelijkde deling wordt overgegaan, zijn ook voor Johanna alle ‘revenuen, baaten en inkomsten vandien, die sullen moeten worden genooten en geprofiteerd tot onderhoudinge en alimentatie van de geheele huijshoudinge sooals deselve actueel of bij vervolg zal bestaan..’ 

Als voogd over de minderjarige kinderen werd benoemd Cornelis van Heijst, de man van de zuster van de eerste vrouw van Servatius, die ook nog op Langdonk woonde.

Marijn Broos en Johanna van Osta

Servatius van Osta stierf op 20 mei 1788. Ook zijn jongste kind was toen meerderjarig (Gerardina was 26 jaar). Ongetwijfeld is alles verdeeld in de geest van het in 1782 gemaakte testament. Adriaan en Gerardina van Osta spelen naar mijn idee vanaf die tijd geen rol meer in het grondbezit op Langdonk. Marijn Broos en Johanna van Osta bleven op Langdonk wonen, gedurende de bewogen jaren die volgden. In 1784 werd hun laatste kind, het achtste, geboren. De kinderen die later bij de vererving (in 1822) nog leefden, waren Adrianus (geboren 14 mei 1769), Servatius (geboren 1 augustus 1771), Adriana (geboren 16 maart 1774) en Cornelis (geboren 1 september 1780).  Er werd op Langdonk goed geboerd. Uit verschillende stukken blijkt dat Marijn Broos er grond bij kocht. Via de schotboeken kan precies uitgezocht worden om welke grond het gaat. Ook de bovenbehandelde vererving kan met de schotboeken veel nauwkeuriger van perceel naar perceel beschreven worden, maar ik wil me hier beperken tot een behandeling per generatie.

Het gezin van Marijn Broos en Johanna van Osta is van groot belang geweest bij de vererving van de grond op Langdonk. Maar juist deze generatie is in deze familiegeschiedenis ook om andere redenen interessant. Het was namelijk juist in deze tijd dat grote historische ontwikkelingen plaatsvonden. Toen de kinderen van Marijn en Johanna geboren werden, bestond de oude republiek nog, met daarin de bijzondere positie van Brabant. De Verlichtingsidealen met vrijheid, gelijkheid broederschap waren nog niet in wetgeving verankerd. Eén generatie verder was Nederland, samen met België, een koninkrijk, was er sprake geweest van de Bataafse Omwenteling, was Lodewijk Napoleon en later Napoleon zelf aan de macht geweest, met enorme veldslagen en oorlogen, was er aan een nieuwe grondwet gewerkt. Toen dit alles gebeurde waren de kinderen van Marijn en Johanna (jonge) volwassenen en verder onderzoek naar de wederwaardigheden van juist deze generatie zou interessante resultaten kunnen opleveren. Hebben ze meegedaan, hebben ze ervan geprofiteerd, hebben ze stelling genomen, hebben ze eronder geleden?

Hoe zullen al deze mensen in de dagelijkse omgang aangesproken zijn? Ze zullen de namen gehad hebben die ook veel later in Roosendaal nog algemeen gebruikelijk waren. Adrianus werd dus Janus of Arjaan genoemd, Marinus was Marijn of Rinus, anderen heetten Toon, Jan, Kees en in deze familie ook Faas. En Johanna zal Jo(ke), Sjo(ke), Jans genoemd zijn.

Johanna van Osta overleed op 31 augustus 1820, tachtig jaar oud, Marijn Broos overleed op 11 december 1821, 84 jaar oud. In mei 1818 hadden ze hun gouden bruiloft gevierd.

Boedelscheiding in 1822

Op 23 augustus 1822 beschreef notaris Petrus van Vught de boedelscheiding van Marijn Broos en Johanna van Osta. De totale besomming beliep f.22.000. Er waren nog vier kinderen in leven. Er kan waarschijnlijk ook geconcludeerd worden dat er van de andere kinderen geen nakomelingen in leven waren. Elk kind erfde grond, geld of goederen ter waarde van f.5.500. De drie zonen erfden alledrie een boerderij met grond op Langdonk, dochter Adriana erfde losse grond en geld. Buiten de boerderij waarop ze gewoond hadden, hadden Marijn Broos en Johanna van Osta dus nog twee boerderijen erbij verworven. Ze hebben zelf gewoond op de kruising Langdonksestraat/Turfvaart aan de noordoostkant (het latere Langdonk 1), ze hebben de boerderij op dezelfde kruising aan de zuidoostkant (het latere Langdonk 10) en de boerderij de Lindenburg erbij gekocht of geërfd.

Nogmaals de familie Adden

De geschiedenis van de vererving van het latere Langdonk 10 is ingewikkeld en niet geheel duidelijk. Volgens een akte van 7 januari 1815 bij Petrus van Vught hebben Marijn Broos en Johanna van Osta  twee derde parten gekocht van bedoelde boerderij van Stephanus van Heijst die op Hulsdonk woonde en van Cornelia van Heijst die met haar man Adriaan Snels in Leur woonde. Stephanus van Heijst was een zoon van Jacobus van Heijst, die vroeger ook op Langdonk gewoond had. Het andere derde part had Johanna van Osta al in haar bezit. Het gaat hier kennelijk om een erfdeel van de oude familie Adden, al in 1754 bij notaris van Sinnen beschreven, en wel van Pieter Anthonissen Adden, die dus een oom van Johanna van Osta was. Deze Pieter Adden had een zoon, Antonius Petrus Adden, geboren 3 september 1750. Het is de zoon die bij een vorige vererving de ‘twee tinnen schotelen’ kreeg. Die is priester geworden en in Goes op 25 februari 1806 overleden. Deze priester heeft op 2 oktober 1775 bij notaris Carolus Ludovicus Delcor in Ukkel bij Brussel zijn testament laten maken. De inhoud ervan is mij niet bekend. Voor de successierechten wordt in 1806 aangifte gedaan door Nicolaas de Greef die in Zegge woonde. In de akte van 7 januari 1815 wordt deze Nicolaas als partij genoemd: nu hij is overleden kunnen de kinderen Van Heijst hun erfdeel verkopen. Bij de verkoop moeten de kopers wel accepteren dat de gekochte goederen nog verhuurd zijn en wel  ‘voor 103 gulden per jaar tot SteMaartendage in 1820’ aan Huybregt en Cornelis Paassen. Of er sprake is van een familierelatie van Nicolaas de Greef met de familie Van Heijst/Adden is niet duidelijk. De naam De Greef kwam ook in de twintigste eeuw nog voor als naam van grondbezitters op Langdonk. Voor de grote lijn van de vererving op Langdonk bewijst dit alles alleen maar dat de boerderij Langdonk 10 in de vroege achttiende eeuw ook al in het bezit van de familie Adden was. In een Schepenakte van 1737 wordt verwezen naar grondaankopen door de familie Adden in 1704 en 1708. Alleen is voor mij onduidelijk om welke grond het precies gaat en bovendien is voor mij niet vast te stellen wanneer de boerderijen zelf, de gebouwen, neergezet zijn. Een enkele keer wordt in dit vroege stadium iets duidelijk gemaakt wanneer ook de ‘belendening’ beschreven wordt, dat wil zeggen dat aangegeven wordt aan de grond van wie een bepaald stuk grond grenst. Daaruit zou dan kunnen worden afgeleid dat al voor 1700 op de boerderij Langdonk 10 Jan Faesse van Osta woonde: dezelfde namen keren steeds weer terug.

Aankopen door Marijn Broos en Johanna van Osta

Marijn Broos en Johanna van Osta hebben de ‘Hoeve Lindenburgh’ op 1 maart 1803 gekocht van Engelbert Leenders, die op zijn beurt de boerderij verworven had op 2 april 1779. ( Is hier een verklaring voor de naamgeving: Leenders, Linders, Lindenburg ? Of is het juist omgekeerd: is de persoonsnaam afgeleid van de boerderijnaam?) De vermeldingen komen uit de schotboeken, waarin voor deze boerderij ook al een verwijzing voorkomt naar 1696. Toen bestond deze hoeve kennelijk al. Maar omdat hier een geheel nieuwe familienaam opduikt, heb ik in de voorgeschiedenis nog niet verder gezocht.

Hoeve Lindenburg
Luchtfoto van boerderij Hoeve Lindenburg (fotocollectie: A. van Oers-Broeren)

Op 22 december 1798 hebben Marijn Broos en Johanna van Osta op Langdonk ook nog heel wat grond gekocht van Rudolph Heller. Op 31 mei 1816 kochten ze grond van Dominicus van der Heijden, ook op Langdonk, beschreven door Petrus van Vught.

Maar al vroeg begonnen de Langdonkse boeren ook grond te kopen die wat verder weg lag. Met name grond in de made. Servaas Broos, zoon van Marijn dus, kocht in de ‘Vroenhoutse Maade omtrent den Holterberg’ op 20 juni 1815 (een spannende periode in de Europese geschiedenis: twee dagen nadat Napoleon bij Waterloo definitief verslagen is) bij een publieke verkoping een stuk grond van ‘drie gemeten zesenvijftig roeden’. De interesse van Servaas Broos voor dat gedeelte van Roosendaal is daarmee aangegeven, maar ook dat de kinderen van Marijn en Johanna eigenlijk voor de boedelscheiding al lang voor zichzelf begonnen waren. In feite was de boedel tot 1822 onverdeeld, in de praktijk zullen de kinderen al veel eerder hun positie ingenomen hebben. De oudste van hen was tenslotte al 51 jaar toen de boedel verdeeld werd

Nogmaals de akte van 1822.

Bij de verdeling van 1822 is bepaald dat Servatius Broos (geboren 1 augustus 1771) De Lindenburg erfde, met bijbehorende grond, broer Antonius ( geboren 27 april 1777) erfde de boerderij aan de zuidkant van de Langdonksestraat met grond en broer Cornelis (geboren 1 augustus 1780) kreeg de boerderij aan de noordkant van de straat toebedeeld, als jongste zoon, die ongetrouwd bij zijn ouders tot hun dood had ingewoond. Dochter Adriana (geboren 16 maart 1773) erfde ook nog flinke stukken grond op Langdonk en op de Kortendijk.

Adriana was getrouwd op 20 oktober 1811 met Sebastiaan Brouwers (geboren in Wouw op 4 november 1774), maar die was al op 28 september 1819 overleden. Ze is op 26 november 1820 hertrouwd met Anthonie de Wit uit Steenbergen. Die is overleden op 50-jarige leeftijd, op 2 oktober 1836. Adriana Broos wordt steeds aangeduid als tapster. Toen ook haar tweede man was overleden zou ze gewoond hebben in Roosendaal op Markt 7 bij haar nicht Anna Cornelia Broos, die getrouwd was met de grutter Godefridus Dekkers. Adriana is zelf overleden op 27 december 1853. Omdat we de grote lijn volgen en Adriana wel grond maar geen boerderij op Langdonk had, verdwijnt ze hier uit deze beschrijving.

Er zijn nog twee redenen waarom de uitvoerige boedelbeschrijving van 1822 voor het grondbezit op Langdonk van belang is. Ten eerste worden er veel grondeigenaren in genoemd die aangrenzende grond in hun bezit hadden. Zodat er ook een beeld ontstaat over de grond die niet van de families Adden, Van Osta, Vos afkomstig was. Het zou te ver gaan ze allemaal op te noemen, maar toch een paar namen: Dominicus van der Heijden (voor het latere Langdonk 14), Adriaan Goderie, Marinus van Meel, de weduwe Lucas van Gogh (voor het latere Langdonk 12), de weduwe Cornelis Vos, de heer du Toy (een grootgrondbezitter?), Willem Meesters. Ten tweede worden vrijwel alle percelen ook met een naam aangeduid, waarvan sommige zeker nog lang gebruikt zijn: Agter de Schuur, Het agterste veld, De middelste Blok, de Huysakker, den Haverblok, het Langveld, het Spuyke, het Spoeltje, de Paardewey, de Wolleweijkes, het Hoogleen enz. Een speciale studie waard!

De Lindenburg.

Bij de boedelscheiding van 1822 heeft Servatius Broos dus de boerderij De Lindenburg geërfd. Het is niet waarschijnlijk dat hij er toen ook pas ging wonen. Maar wanneer hij precies de woning heeft betrokken en de grond in gebruik heeft genomen is mij niet bekend. Servatius was in 1822 tenslotte al 51 jaar. Hij was getrouwd op 31 oktober 1802 met Joanna Brouwers uit Wouw (op de Achterhoek?), gedoopt 24 oktober 1779 in Nispen. Zij was een zuster van Sebastiaan Brouwers, de man van zijn zuster Adriana. Hun eerste kind, Anna Cornelia, was geboren op 3 september 1803. Zij is al op 10 januari 1822 getrouwd met Godefridus Dekkers, de grutter, bij wie veel later Adriana, haar tante, ging inwonen  Op 15 december 1805 werd hun zoon Marinus geboren en op 18 september 1813 een dochter Anna Maria die op 30 juni 1836 trouwde met Johan Baptist van Pul (geb. 24 januari 1812, overleden 12 december 1894). Ze kregen nog meer kinderen, maar het zijn de twee laatstgenoemden die in verband met (de grond van) De Lindenburg nog een rol zullen spelen. In 1815 had Faas Broos-Brouwers op zijn eigen naam al grond gekocht in de maden aan de andere kant van Roosendaal. Dus toen in 1822 de boedelscheiding definitief werd had Servatius een gezin met al (bijna) volwassen kinderen en waarschijnlijk ook al een stevig eigen bedrijf. Het was de zoon Marinus die later De Lindenburg overnam. Hij trouwde pas op 58-jarige leeftijd met Maria Elisabeth Brouwers uit Huybergen (geboren op 1 mei 1827) en zij kregen op 19 mei 1865 een zoon die ze weer de naam Servaas gaven. Maar deze Servaas was nog maar 7 jaar toen zijn vader stierf en zijn moeder overleed toen hij twaalf jaar was. Van 1877 tot 1882 verbleef Servaas bij de broeders op het Instituut St. Louis in Oudenbosch, maar –en hier komen we voor het eerst op het terrein van de mondelinge overlevering, in de Kruislandse tak van de familie Broos-  hij zou verder opgevoed zijn door Trieneke van Pul (is Lucia Catharina van Pul), een dochter dus van de zojuist genoemde Anna Maria Broos en Johan Baptist van Pul. Het is ook deze familie Van Pul, met zeven kinderen geboren tussen 1845 en 1857, waarvan er enkele ongetrouwd bleven, die toen de feitelijke bewoners van De Lindenburg geweest zijn. Catharina van Pul, Trieneke, de pleegmoeder (?) van Servaas, is geboren op 22 maart 1857 en overleden op 6 juli 1944. Zij zou gewoond hebben op een boeltje gelegen aan de Nispenseweg, ongeveer tegenover de boerderij van F. van Gastel, bij de kruising met de rondweg. Deze laatste gegevens zijn voor mij niet meer controleerbaar.

Hoe rond 1880 de eigendomsverhoudingen tussen de jonge Servaas Broos en de familie Van Pul waren, is mij ook niet geheel bekend (duidelijk). Wel staat vast dat Servaas Broos op twee zittingen (bij inzet en afmijnen) op 30 september en 14 oktober 1891 ten overstaan van Notaris van Wijngaarden te Willemstad in Kruisland 34 hectare grond heeft gekocht voor f.45.000.- In hetzelfde jaar op 22 december heeft Servaas op Langdonk een hoeveelheid grond verkocht, ook enkele percelen aan familieleden die ook op Langdonk woonden.

Daarmee verdween deze tak van de familie Broos van Langdonk, want Servaas ging  wonen op de Holterbergsedijk 2, in Kruisland. De hele twintigste eeuw hebben daar nog leden van de familie Broos gewoond. Servaas trouwde met Elisabeth van Overveld, die ook uit die omgeving kwam. Servaas is 51 jaar geworden, gestorven in 1916. De laatste twee jaar van zijn leven was hij geheel blind. Zijn vrouw Elisabeth overleed in 1931.

Ook staat vast dat op 4 augustus 1917 bij Notaris van Liebergen onder andere in opdracht van Cornelis van Pul, Petrus van Pul, Franciscus van Pul, Anna Maria van Pul de boerderij De Lindenburg de inzet was van een openbare verkoping. De boerderij werd nogal versnipperd, maar de hoeve zelf werd voor f.11.000.- gekocht door Cornelis Broeren, die overigens bij deze aankoop meedeelde dat hij een deel had gekocht in opdracht van Petrus Johannes Looyen. Er werden ook heel wat stukken losse grond verkocht, maar een opvallende grondaankoop werd gedaan door Arie van Deyssel, die in zijn hoedanigheid van Directeur van het St Joseph Missiehuis, voor f.3.500.- de kopen vier, vijf en zes naar zich toe haalde. Cornelis Broeren was geboren op 29 december 1870 en overleden te Roosendaal op 20 november 1936. Na hem was de hoofdbewoner op De Lindenburg Marinus Johannes Broeren, geboren 13 september 1907, na de dood van zijn vader, op 30 maart 1937 getrouwd met Johanna Loos, geboren op 4 februari 1910  in Rucphen.

Langdonksestraat 10

Bij de verdeling van 1822 was de boerderij aan de zuidkant van de straat (Langdonksestraat 10) dus in bezit gekomen van Antonius Broos. In feite zal deze boerderij, net als De Lindenburg, wel eerder door Antonius in gebruik genomen zijn, maar hoe dat precies gegaan is, is niet duidelijk. Een complicerende factor was hier nog dat het ook om grond ging, die verhuurd was (zie boven). Antonius was geboren op 27 april 1777 en hij is op 29 juli 1810 getrouwd met Catharina Kerstens. Hun eerste kind, Jacobus,  is geboren op 26 mei 1812. Daarna kwam dochter Johanna op 26 april 1814, zoon Adrianus op 1 juni 1816 en zoon Cornelis op 21 mei 1822. Er kwamen nog meer kinderen, maar die worden in de vererving niet meer genoemd. Ook Antonius had dus bij de verdeling in 1822 al een gezin met opgroeiende kinderen.

In de volgende generatie werd zoon Cornelis de hoofdbewoner van Langdonksestraat 10. Hij is op veertigjarige leeftijd (op 28 mei 1862) getrouwd met Johanna Dekkers, die geboren was op 3 mei 1835. Cornelis overleed op 10 februari 1903 en Johanna stierf op 19 mei 1910. Ze hadden zeven kinderen. Op 13 april 1863 werd dochter Catharina geboren, die later zou trouwen met Petrus van Wesel. Op 29 mei 1869 werd zoon Antonius geboren (nadat een jaar eerder, op 26 april 1868, ook al een Antonius geboren was, die na drie maanden was overleden). Het was deze Antonius die de boerderij overnam. Hij trouwde op 6 augustus 1912 met Petronella Zegers (geboren 18 april 1869). Zij kregen geen kinderen meer.

In het gezin van Cornelis Broos en Johanna Dekkers werden op 5 december 1865 ook nog Antonetta en op 18 juli 1872 Johannes geboren. Dat waren Jan en Aant die samen tot 1943, ongetrouwd, gewoond hebben op Langdonksestraat 6. Aant stierf op 10 september en Jan op 30 september 1943. De woning Langdonk 6 werd daarna van Cees van Wesel gehuurd door Marijn en Hendrien van de Weijgert, totdat eind jaren vijftig Toon van Wesel, zoon van Cees, een nieuwe woning bouwde ‘in den hof’ van Langdonk 6.

Antonius Broos en Petronella Zegers bleven op Langdonk 10 boeren tot 1928. Toen gingen ze rentenieren op de Burgerhoutsestraat in Roosendaal. De boerderij werd toen overgenomen door Cornelis van Wesel, geboren 19 januari 1890, als zoon van Petrus van Wesel en Catharina Broos. Hij nam dus de boerderij over van Oom Toon. Cornelis van Wesel kwam toen uit Huybergen. Zijn eerste vrouw, met wie hij maar korte tijd getrouwd was en van wie hij geen kinderen had, was overleden toen hij op 17 februari 1925 trouwde met Maria Dimphna van Agtmaal. Zij hebben eerst nog een tijdje in Huybergen geboerd, voordat ze naar Langdonk kwamen. Vanaf 1928 waren Cees en Mie van Wesel de hoofdbewoners van Langdonk 10. Ze kregen zes kinderen. Hun zoon Christ nam als laatste het bedrijf over. Hij was er boer tot de afbraak in 1972.

Langdonksestraat 1 en 10

Cornelis Broos, zoon van Marijn Broos en Johanna van Osta, was de jongste van het gezin. Hij was bij zijn ouders blijven wonen en hij had dus in 1822 de ouderlijke hoeve aan de noordkant van de Langdonksestraat geërfd. Cornelis bleef ongetrouwd. Hij heeft nog een kleine twintig jaar op Langdonk 1 geboerd, tot zijn dood op 5 juni 1841. Notaris Van Vught heeft in drie aktes de gebeurtenissen na de dood van Cornelis beschreven.

Op de 30ste juni van hetzelfde jaar heeft hij een zeer interessante beschrijving gemaakt van de openbare verkoping van de onroerende goederen van Cornelis Broos. De koopdag is gewoon op de boerderij, Langdonk 1 dus, gehouden. Alles wat verkocht is wordt in een lange lijst opgesomd: het gaat van schoppen, rieken, mestvorken, koperen ketels, karntonnen, borden, bindtouwen naar koeien, varkens, een veulen en een eerdkar en verder alles wat in die tijd op een boerderij aanwezig was. De kopers waren op de eerste plaats de twee ook op Langdonk wonende broers van Cornelis en zijn zuster Adriana, die intussen voor de tweede keer weduwe geworden was. Maar verder worden ook veel andere kopers genoemd. De meeste zullen in de buurt gewoond hebben; de bekende namen keren steeds terug: Van Gogh, Dekkers,Vergouwen, Nuyten, Looyen, Wittenbols, Uitdewilligen, Van Pul, Peeters enz. De duurste koe werd verkocht voor 82 gulden. Een haargetouw deed twee kwartjes. Die koopdag op Langdonk zal beslist een gezellige bijeenkomst opgeleverd hebben. De totale opbrengst van de koopdag was f.1231.-.

Op 4 december 1841 beschreef notaris Van Vught de boedelscheiding van Cornelis Broos. De erfgenamen waren zijn twee broers Servatius en Antonius en zijn zuster Adriana. De opbrengst van de koopdag werd ingebracht, totaal was er te verdelen f.7494.-. Elke erfgenaam kreeg evenveel, ongeveer 2500 gulden. Maar broer Antonius, die aan de overkant van de straat woonde, erfde in feite de boerderij, geschat op 5000 gulden. Hij moest dus zijn broer en zuster met geld schadeloos stellen. Een derde akte van Notaris Van Vught op 11 december 1841 toont aan dat Antonius om deze bedragen te kunnen betalen geld ging lenen (4000 gulden) bij Petronella Roeken, de weduwe van Gerard Aarde.

Antonius Broos was 64 jaar toen hij al deze regelingen trof. Hij deed het omdat hij zijn zoon Adrianus, die toen 25 jaar was,  boer wilde maken op Langdonk 1. Dat is ook gebeurd. Dus toen ontstond de situatie dat twee broers op de twee tegenover elkaar liggende boerderijen op Langdonk boer waren: Cornelis op Langdonk 10 en Adrianus op Langdonk 1. Er was wel een flink leeftijdsverschil : Cornelis is zes jaar jonger en ook nog oud getrouwd, pas in 1862, zijn kinderen waren van na 1863. Het eerste kind van Adrianus werd al in 1844 geboren. Maar voorlopig was hier dus weer sprake van een onverdeelde boedel. In feite woonde Cornelis bij zijn ouders in en Adrianus had aan de andere kant van de weg een jong gezin. De boedelscheiding vond pas plaats op 12 augustus 1863 (bij Notaris van Gilse) toen de beide ouders, Antonius Broos en Catharina Kerstens, overleden waren. Catharina was overleden op 22 april 1852 en Antonius op 31 maart 1863. Bij de verdeling leefden nog vier kinderen: Adrianus, Cornelis, Jacobus en dochter Johanna. Twee kinderen waren in 1841 kort na elkaar overleden: dochter Maria op 21 februari op 23-jarige leeftijd en zoon Johannes op 16 maart op 21-jarige leeftijd. De nog in leven zijnde kinderen erfden elk eenvierde part, maar in feite was het alleen een bevestiging van de bestaande situatie. Dochter Johanna erfde losse grond en geld en zoon Jacobus (nog wel de oudste zoon, geboren 26 mei 1812) die ook geld en grond had geërfd, liet per testament van 19 maart 1865, dus al twee jaar na de deling, weten dat hij al zijn bezittingen naliet aan zijn broer Adranus ‘bij wie hij thans inwoont’. Zo was er weer van iets minder versnippering sprake.

Langdonk 1

Adrianus Broos is op 25 november 1843 getrouwd met Johanna van Gastel. Zij was geboren op 21 augustus 1814 in Rucphen, ze is overleden op 23 februari 1889. Haar man Adrianus stierf op 5 juli 1890.  Hun kinderen werden geboren tussen 1844 en 1858 en hun boedelscheiding is opgemaakt op 16 september 1891 door notaris A.J. van Mens. Dus van 1841 tot 1890 zijn Adrianus en Johanna de hoofdbewoners geweest van de boerderij Langdonk 1. Bij de boedelscheiding in 1891 worden de namen van acht kinderen genoemd: vier zonen en vier dochters. Drie dochters waren getrouwd (met Mathijs Jongenelen in Halsteren, met Cornelis Damen te Wouw en met Johannes Bakx, winkelier, te Roosendaal). De vierde dochter Maria Catharina (geboren op 6 december 1856) was nog niet getrouwd, maar ze trouwde een maand na de akte van boedelscheiding met Hubert van Kalmthout uit Gastel (op 28 oktober 1891). De vier zonen waren in 1891 allemaal ongetrouwd. Een van hen was Antonius Cornelis, geboren 14 april 1854. Hij was priester, op het moment van de boedelscheiding in Koewacht. Later is hij pastoor geworden in Borgvliet. De drie andere zonen woonden op Langdonk. Johannes Arnoldus (geboren 2 september 1849) en Petrus (geboren op 7 februari 1853) zijn hun hele leven ongetrouwd gebleven en woonden dus ook toen hun ouders stierven nog op Langdonk 1. De boedelscheiding van 1891 ging niet erg ver: de dochters werden uitgekocht, maar het gedeelte dat voor de vier broers bestemd was, bleef in feite onverdeeld. De geschatte waarde van wat de vier broers samen erfden was f.35.275.- Dus de broers Johannes Arnoldus (geboren 2 september 1849), Petrus (geboren 7 februari 1853) en Franciscus (geboren 2 december 1858) waren samen met de pastoor van Borgvliet, Antonius Cornelis, (geboren 14 april 1854) in het bezit van veel grond aan de noordkant van de Langdonksestraat. Pas na 1907 worden de eigendomsrechten enigszins uitgesplitst. Intussen is het wel duidelijk geworden dat de broers Jan en Piet Broos (het zijn de oudste leden van de familie van wie nog foto’s in het familiebezit zijn) op de boerderij Langdonk 1 zijn blijven wonen en dat Franciscus (Suske Broos) op Langdonk 3 (dus de latere boerderij van de familie Gommers) zijn intrek genomen had. Wanneer dat precies gebeurd is en waarom is mij nog niet duidelijk. Ook niet of de boerderij, de woning, Langdonk 3 al langer bestond of pas in de negentiger jaren van de negentiende eeuw gebouwd is.

Boerderij Langdonksestraat 3
Boerderij Langdonksestraat 3 (fotocollectie: Jeanne Gommers)

Eigendomsrechtelijk was de zaak er ook niet helderder op geworden nadat Franciscus Broos op 43-jarige leeftijd, in 1901, alsnog getrouwd was met de weduwe Johanna van Tilburg, die eerder gehuwd geweest was met Marinus Johannes van Aart, van wie zij vier dochters had. Ook zij had weer haar inbreng in het grondbezit van de familie. Met Marijn van Aart had ze gewoond op de Tolberg. Een blok grond die later op Langdonk steeds bekend stond als ‘De Watermolen’, gelegen aan de Watermolenbeek, had zij ingebracht.

Na zijn huwelijk is Franciscus Broos verhuisd naar Langdonk 1, met zijn echtgenote, haar vier dochters en ook nog haar moeder, de weduwe Catharina van Tilburg-Wagemakers, die op 23 maart 1909 overleden is. De broers Jan en Piet zijn toen op Langdonk 3 gaan wonen.

Pas in 1907 gaan de broers over boedelscheiding nadenken. Op 3 augustus 1907 maakten ze een eind aan de onverdeeldheid. Jan, Piet en Suske verdeelden de grond. Het is niet gemakkelijk vast te stellen wie precies welke grond erfde en wie vanaf welk moment waar woonde. Maar zo belangrijk is dat niet, gezien wat er volgde. De pastoor Antonius Cornelis Broos wordt schadeloos gesteld met geld. Op 23 augustus 1907 gaat hij naar notaris Schermer in Bergen op Zoom om zijn testament te laten maken. Het grootste deel van de tekst is gereserveerd voor de regeling van zijn begrafenis, het gezongen jaargetijde en de tweehonderd heilige missen die voor hem moeten worden opgedragen.  Verder wijst hij zijn broer Petrus aan als degene die al de zaken zijner nalatenschap in bezit moet nemen tot het tijdstip van het verlijden der akte van scheiding. De pastoor is op 23 mei 1908 overleden

Op 19 maart 1923 wordt het testament opgemaakt van Petrus Broos. Hij gaf duizend gulden aan de kerk voor missen voor zichzelf, voor zijn ouders en voor zijn overleden broers. Ook voor zijn broer Johannes Arnoldus met wie hij altijd had samengewoond en die intussen overleden was, op 17 augustus 1920. De vier zussen zijn hierbij geheel uit het gezichtsveld verdwenen. Maar de belangrijkste bepaling was toch dat hij tot enige en algemene erfgenaam benoemde zijn broer Franciscus. Petrus overleed op 8 juni 1923.

Intussen waren in het gezin van Franciscus en Johanna van Tilburg nog twee kinderen geboren: Adrianus Antonius op 30 mei 1902 en Antonius Petrus Marinus op 3 augustus 1908. Samen met de vier dochters uit het eerste huwelijk van Johanna van Tilburg en aanvankelijk ook haar moeder waren dat dus de bewoners van Langdonk 1, zo van 1901 tot ongeveer 1925

Want op 15 oktober 1923 verhuurt Franciscus Broos aan Jan Gommers (geboren op 8 maart 1899 in Rucphen), die op 31 juli 1923 getrouwd was met Johanna Maria van Aart (geboren 17 oktober 1895, op Langdonk bekend als Sjo(ke) Gommers) de boerderij Langdonk 3. Die was dus kort tevoren vrij gekomen door het overlijden van broer Petrus. Franciscus Broos had dus die hoeve aan een van de dochters van zijn echtgenote Johanna van Tilburg overgedragen. Later kreeg de familie Gommers deze boerderij wel in eigendom, wanneer precies is mij niet bekend. Leden van de familie Gommers hebben tot de ontruiming op deze plek gewoond.

Een andere dochter van Johanna van Tilburg, Maria Christina van Aart (geboren op 28 mei 1897, overleden 15 maart 1974) trouwde met Cornelis Wijnen. Zij bouwden een nieuwe woning aan de Zundertseweg, op en met grond uit de oude verervingen. Zij kregen drie dochters. De jongste dochter, Nelly Wijnen, trouwde met Christ Peeters. Zij waren de laatste bewoners van dat pand in die familielijn.

De dochter Petronella (van Aart) trouwde met Piet Schepers. Zij woonden aan de Bredase Weg. En de vierde dochter, Francisca Catharina (geboren 22 november 1892, overleden op 12 mei 1980) trouwde met Janus van Oers. Zij gingen op de Kortendijk wonen. Hun zoon Sjaan van Oers was later ook een Langdonker: hij woonde op nummer 4.

Franciscus (Suske) Broos is overleden op 12 november 1925. Zijn twee zonen waren toen 23 en 17 jaar oud. Samen met hun moeder hebben ze zo even verder geboerd. Ongeveer vijf jaar, want Janus Broos trouwde in 1930 met Catharina Jansen. En zij bouwden ook een nieuwe woning aan de Zundertseweg, op grond die al heel lang tot het familiebezit hoorde. Ze kregen twee kinderen: Frans en Annie Broos. Ook deze familie bleef ‘tot het einde’ daar wonen.

Johanna van Tilburg bleef op Langdonk 1 wonen. Op 23 juni 1931 trouwde haar jongste zoon Antonius met Petronella (Pietje) Simons, die op 14 december 1906 in Wouw geboren was. Ze kregen vijf kinderen. De laatste jaren van haar leven bracht Johanna van Tilburg door bij haar dochter Maria Christina op de Zundertseweg. Ze overleed op 2 april 1946.

Maar enkele weken na het begin van de oorlog, op 25 juli 1940, was Toontje Broos overleden aan een astma-aanval tijdens de gerstoogst. Pietje Simons hertrouwde met Franciscus Elsten op 19 mei 1942. Ze kregen nog twee kinderen, waarvan de eerstgeborene slechts twee dagen geleefd heeft. Van hun tweede kind staat de naam onder deze tekst. Dit gezin met zes kinderen woonde in de jaren veertig en vijftig op Langdonk 1. Petronella Simons overleed 13 maart 1966. Nadat de andere kinderen in de jaren zestig getrouwd waren, was zoon Frans Broos de laatste bewoner van de boerderij Langdonk 1.

Nawoord

De oplettende lezer zal in het voorafgaande nog veel open eindjes aantreffen. In veel gevallen komt dat omdat ik ervoor gekozen heb de stof beperkt te houden. Bij vrijwel iedere genoemde persoon is het mogelijk nog weer meer over de voorgeschiedenis te vermelden, maar daarvoor heb ik niet gekozen. Aan de andere kant zijn er ook veel onderwerpen waarover ik graag meer gegevens gehad zou hebben. In die gevallen weet ik eenvoudig niet waar ik ze zou moeten zoeken, in andere gevallen heb ik nog niet de tijd genomen de bewuste informatie op te sporen. Wat natuurlijk in dit opzicht het meest opvalt, is dat de bovenstaande feiten helaas een groot deel van de beschrijving van het grondbezit op Langdonk achterwege laten. Het grondbezit van de boerderijen Langdonk 12 (Muys-Looyen) en Langdonk 8 (Romme) blijft nagenoeg geheel buiten beeld, terwijl het hierbij toch om een respectabel deel van het grondbezit gaat, met eveneens een lange traditie. Op de boerderij van Muys-Looyen prijkte naar mijn herinnering het jaartal 1777, terwijl de boerderij van Romme beslist ook een hoge leeftijd had. Misschien kan deze lacune in de toekomst nog ingevuld worden.

Teleurstellend vond ik zelf bij mijn opzoekingen dat ik eenvoudig nooit iets tegenkwam over de ouderdom van de gebouwen op Langdonk. Wie heeft bij welke gelegenheid al die oude hoeves neergezet en waarom daar en waarom zo? Waarom stond de boerderij van Romme bijvoorbeeld zo achterstevoren, met de achterkant afgewend van het eigen grondbezit? Ook bij deze vragen hoop ik in de toekomst nog eens degelijke antwoorden te lezen.

Tenslotte kan een beschrijving als deze natuurlijk veel interessanter worden als de genoemde personen met aanvullende gegevens wat meer tot leven komen. Naspeuringen in allerlei aanvullende archieven (rechterlijke, militaire, van het verenigingsleven enz.) kunnen nog leuke resultaten opleveren. In de tekst zelf heb ik al laten merken dat ik het interessant vind meer te weten te komen over de vraag hoe deze mensen de grote gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis meebeleefd hebben. Hoe zijn ze bijvoorbeeld de Franse tijd doorgekomen? Soms roept de bovenstaande beschrijving zelf ook al vragen op. Hoe kwam het dat in één gezin zomaar binnen een paar weken twee kinderen van een jaar of twintig oud sterven? Was er een griepepidemie of iets dergelijks? Ook al die broers en zussen die bij een latere verdeling er gewoon niet meer zijn, stellen ons voor raadsels. De kindersterfte was natuurlijk enorm, maar er zullen ook kinderen bijvoorbeeld kloosterling geworden zijn of in een heel ander gebied werk gezocht hebben. Ook lijken de stukken ook wel eens gegevens te bevatten die erop duiden dat iemand wel een erfenis ontvangt maar er duidelijk blijk van geeft niet voor het eigen erfdeel te kunnen zorgen. Gaat het in zo een geval om een geestelijk gehandicapte erfgenaam?

Kortom: ik heb geprobeerd in al het materiaal dat ik vanaf ongeveer 1965 verzameld heb, wat ordening aan te brengen. Ik ben hierbij nog dank verschuldigd aan Servé Broos uit Kruisland, die in de jaren tachtig vanuit de Kruislandse tak van de familie Broos veel onderzoekingen heeft gedaan naar het grondbezit van zijn voorouders. Hij hield mij toen steeds van de resultaten op de hoogte. Dankzij hem ben ik in het bezit van veel oude testamenten, boedelscheidingen  en een tiental (zeer) oude bidprentjes. Helaas is Servé Broos alweer een aantal jaren geleden overleden.

Ik hoop met deze tekst de interesse voor de geschiedenis van Langdonk een beetje gestimuleerd te hebben. Voor verbeteringen en aanvullingen heb ik veel belangstelling.

30 november 2004

C.C.A. Elsten
c.elsten@planet.nl


«home